Militairen

zgzwartelijn500 zgzwartelijn140blauw zgzwartelijn300

•Appointés: gepensioneerde en invalide militairen 1681-1798
De betaling van de kosten van de verschillende onderdelen van het Staatse leger ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1575-1795) was volgens een verdeelsleutel tussen de gewesten, vastgelegd in de Staten van Oorlog, die jaarlijks werden vastgesteld. Holland droeg de zwaarste lasten, maar ook Zeeland en Utrecht betaalden forse sommen. De diverse regimenten en troepen waren het eigendom van hun kapitein of kolonel. Deze kreeg een som geld van de gewestelijke Staten en hij wierf daarvoor soldaten aan en dankte ze ook weer af. Er werd een eenvoudige administratie bijgehouden met monsterrollen en betaalrollen, maar ook deze was eigendom van de kleine ondernemer.
In Zeeland werden de kosten voor de landlegers geadministreerd door de ontvangers-generaal van de administratie van de oorlog te lande.

De bijkomende lasten, zoals pensioenen voor oude en invalide militairen, werden ook per gewest geregeld. Van iedere soldij-ordonnantie werd respectievelijk vijftien gulden voor de Zeeuwse compagniën 'te voet' en vijf gulden voor de compagniën 'te paard' geïnd. In Zeeland werden de uitkeringen op voorstel van de Staten individueel toegekend op basis van een resolutie van de Gecommitteerde Raden (het dagelijks bestuur) aan militairen die door verminking in de strijd of verval van krachten bij langdurige dienst daarvoor in aanmerking kwamen. Deze werden toen appointés genoemd. Het valt op dat aanvankelijk veel geappointeerden in Middelburg woonden. Ook weduwen en een enkele wees kwamen soms in aanmerking voor een uitkering.

Gedurende de periode 1681-1798 was de betaling van deze uitkering opgedragen aan de commies ter betaling van de appointés. Diens administratie is onderdeel van het archief van de Rekenkamer van Zeeland, Rekenkamer C, inv.nrs 13090-14250 (toegang 508).
Het jaarlijkse bedrag van het pensioen bleef ongeacht de rang van de militair van 1681 tot en met 1798 onveranderd: 14 ponden, 9 schellingen en 8 penningen Vlaams (= € 39,43). In sommige gevallen ontving een militair een hogere uitkering ('dubbele paeije'). Garde-ruiters ontvingen 20 ponden, 11 schellingen en 4 penningen per jaar. Er werd gerekend in maanden van 42 dagen (lange maanden). In het laatste jaar (1798) werd dit systeem afgeschaft. De vervaldagen waren 6 mei, 9 september en 31 december. De eerste en tweede periode waren drie maal 42 is 126 dagen lang, de laatste 13 dagen minder dus 113 dagen (totaal 365 dagen). De betaaldagen waren 6 mei, 9 september en 1 januari van het volgende jaar. Men hield geen rekening met een schrikkeljaar. De appointé moest persoonlijk naar Middelburg komen om zijn uitkering in ontvangst te nemen. Als hij daartoe niet in de gelegenheid was kon hij een gemachtigde sturen. Na overlijden werd de laatste uitbetaling door de weduwe of een vertegenwoordiger van de erfgenamen opgehaald. In het laatste geval werd een attestatie van overlijden overhandigd. Het kwam ook voor dat niemand kwam opdagen en de betrokkene werd dan "pro memorie" vermeld. Meestal betekende het dat de rechthebbende overleden was, maar het was moeilijk om dat officieel vast te stellen. Uiteindelijk werd bepaald dat zo iemand na twaalf jaar van de lijst werd afgevoerd.
Als bewijs dat men gerechtigd was, moest de akte van aanstelling worden getoond en het geld werd voor een kwitantie afgegeven. Deze akte was niet de aanstelling tot militair, maar betrof de toekenning van het pensioen. Van een overledene moest de akte van aanstelling dan ook worden ingeleverd en dat deden de erfgenamen die zodoende de nog resterende gelden konden incasseren.

Er stonden overigens niet alleen afgekeurde militairen op de rol. Ook enkele gewestelijke functionarissen werden uit deze gelden betaald, zoals de twee 'oppassers van het Hof', dat waren de conciërges van de Abdij te Middelburg en verder de provoost van Vlissingen en de constabel van Zierikzee. Tegen het einde van de achttiende eeuw worden ook actief dienende militairen toegelaten.

De rekeningen zijn jaarlijks in dezelfde volgorde opgesteld. Als er een appointé was komen te overlijden, dan werd zijn plaats in de rekening door een andere persoon overgenomen. In totaal zijn er over de genoemde periode zo'n 13.500 betalingen gedaan aan 1.126 personen. De bijlagen bij de rekeningen zijn alleen over de periode 1761-1798 bewaard gebleven. Hierin bevinden zich de door de appointé ondertekende kwitantie voor ontvangst van de uitkering (10 gulden per 42 dagen) en de attestaties van overlijden van de appointés, op basis waarvan de overlijdensdatum is terug te vinden.

De rekeningen van de appointés zijn in de periode april 2007 t/m augustus 2008 ingevoerd door de heer C.P. Mulder te Rotterdam. Het invoerprogramma is gemaakt door de heer P. Weltevrede te Middelburg, die ook de correctie én de verwerking van de meer dan 13.500 inschrijvingen tot een bestand met 1.126 individuele appointés heeft uitgevoerd.

Zeeuwse Mobiele Schutterij 1830-1839
Bij de grondwet van 1814 werden op uniforme wijze georganiseerde schutterijen ingesteld, die in tijd van oorlog konden dienen als versterking van het leger. Men kende, volgens de wet van 1827, in steden van tenminste 2.500 inwoners dienstdoende en in de overige steden en op het platteland rustende schutterijen. De wet stelde de sterkte van beide schutterijen vast op 600 man voor elke 20.000 inwoners. Alle mannelijke Nederlanders tussen 18 en 50 jaar (vanaf 1827: tussen 25 en 34 jaar) kwamen voor de dienst in dienstdoende en rustende schutterijen in aanmerking. De diensttijd was vijf jaar. Bij oorlogsdreiging werden beide schutterijen tot een mobiele schutterij samengevoegd. De enige keer dat dit heeft plaatsgevonden was tijdens de Belgische Opstand van 1830-1839.

De gemobiliseerden werden ingedeeld in compagnieën ter sterkte van zo mogelijk 150 man. Een bataljon werd samengesteld uit vier tot zes compagnieën en een afdeling bestond uit twee tot drie bataljons. Bij Besluit van 4 augustus 1839 werden de korpsen Mobiele Schutterij ontbonden.

Het archief van de Zeeuwse Mobiele Schutterij bevat de controle- en administratieboeken over de jaren 1830-1839. Deze registers bevatten de data- en plaatsen van geboorte, de namen van de ouders en de laatste woonplaats van de leden van de schutterij, en vaak ook een signalement van de persoon. De administratie is niet altijd nauwkeurig. Van dezelfde personen worden soms twee of meer verschillende geboortedata en/of geboorteplaatsen opgegeven. De geboortedata variëren van ongeveer 1767 tot 1816. De controle- en administratieboeken geven aan "de veranderingen en bewegingen" der leden van de schutterij, d.w.z. data van aankomst, verlof, overplaatsing, groot verlof en zo meer. De administratieboeken zijn uitvoeriger dan de controleboeken. Zij bevatten ook gegevens over de dagelijkse sterkte aan officieren, onderofficieren en manschappen, alsmede over soldij, levensmiddelen, kleding, uitrusting, wapenen, legergoed en zo meer.

[laatst bijgewerkt: 25 oktober 2011]

Zeeuwse Mobiele Schutterij
Tekening van Daniël Leijnse Boone, sergeant-majoor bij de Zeeuwse Mobiele Schutterij, voor Sluis, ca. 1835.

Inschrijving Daniel Leijnse Boone ZMS
Inschrijving van Daniël Leijnse Boone in het administratieboek van het 2de bataljon, 1ste compagnie van de Zeeuwse Mobiele Schutterij, 1837. In het register staat per abuis 2de compagnie vermeld.